Korstmossen in Overijssel wijzen op meer ammoniak in de lucht en opwarming van het klimaat

Korstmossen vormen belangrijke indicatoren voor vermesting en klimaatverandering. Korstmossen (of lichenen) zijn een combinatie van een schimmel en een alg, die groeien op extreme standplaatsen: op kaal zand in de heide en de duinen, op het steen van bestratingen en daken, en op de schors van bomen. Zij leven van de stoffen die in de lucht zitten. In Nederland zijn ruim 750 soorten korstmossen gevonden (Aptroot et al., 2004), waarvan 175 soorten op bomen langs wegen in Overijssel (Van Herk 2020). De ammoniakvervuiling neemt sinds de jaren 90 af in het agrarisch gebied. In het stedelijk gebied  neemt de stikstofvervuiling door ammoniak die vrijkomt uit auto’s niet af. In het kader van Natura 2000 worden natuurgebieden minder gevoelig gemaakt voor stikstof. Maar in de grote bos- en natuurgebieden is nog geen sprake van een daling.  

Publicatiedatum Overijssels Feit : 3 maart 2021

Verandering in het milieu is zichtbaar aan kortstmossen

Korstmossen reageren sterk op veranderingen in het milieu. De uitstoot van zwaveldioxide, die in de jaren 70 van de vorige eeuw het hoogtepunt bereikte, heeft veel soorten doen verdwijnen. Een deel van die soorten keerde terug toen de luchtkwaliteit verbeterde. In de Gelderse Vallei werd eind jaren 70 voor het eerst in Nederland een ammoniak probleem gesignaleerd aan de hand van korstmossen. Stikstof minnende soorten waren vooral rond boerderijen sterk toegenomen (Van der Knaap, 1980). Dit was nog voordat de overheid het probleem herkende en onderkende en voordat luchtmetingen van ammoniak beschikbaar waren. Het ammoniakprobleem is daarmee al 40 jaar oud.

Korstmossen in beeld gebracht

Drie belangrijke milieuthema’s kunnen met korstmossen zichtbaar worden gemaakt en gemonitord:

  1. Verzuring (door zuurvormende stoffen);

  2. Vermesting (door stikstofhoudende vluchtige stoffen zoals ammoniak en stikstofoxiden);

  3. Klimaatverandering.

Geel dooiermos en Heksenvingermos

Geel dooiermos en Heksenvingermos
Geel dooiermos en Heksenvingermos bedekken een jonge boom in de wijk Roombeek in Enschede. Het massaal voorkomen heeft te maken met de ammoniak vervuiling binnen het stedelijk gebied (foto P. Bremer).

In 1986 werd in Overijssel gestart met korstmossenonderzoek (Van Dijk, 1988). Hoofddoel was het vaststellen van de mate waarin Overijssel met ammoniak verontreinigd was. In 1994, 1999 en 2005 werd dit onderzoek herhaald. Daarna is ook gebleken dat korstmossen reageren op klimaatverandering (van Herk et al., 2006). Zuidelijke soorten, die van warmte houden, zijn de laatste 20 jaar sterk toegenomen in Overijssel; sommige noordelijke soorten zijn juist afgenomen.

Vervuiling door vermesting

Met voor ammoniak gevoelige soorten korstmossen is de verspreiding en intensiteit van vervuiling te meten. De sterkste vervuiling treedt op in delen van Twente en Salland. Over het algemeen blijkt uit het korstmossenmeetnet dat er hogere waarden voor stikstof worden gemeten in gebieden met een hoge vee dichtheid.

De onderstaande figuur laat zien dat sinds eind jaren 90 de ammoniakvervuiling afneemt in gebieden in Overijssel die zijn aangemerkt als agrarisch, maar dat aan die afname een eind is gekomen en vervuiling de afgelopen jaren weer lijkt toe te nemen. Korstmossen hebben tijd nodig om te reageren op veranderingen in de luchtkwaliteit (reactietijd van 4–6 jaar). Dit betekent dat de afname al voor 1999 is ingezet. Korstmossen zijn daarmee goede indicatoren voor ammoniakvervuiling (vermesting). De korstmossen reageren op de zuurgraad van de boomschors die verandert onder invloed van ammoniak, waarbij de zuurgraad lager wordt en de pH juist hoger.

De ligging van de onderzochte meetpunten van het korstmossenonderzoek

Overzichtskaart van de ligging van de onderzochte meetpunten van het korstmossenonderzoek in Overijssel op vrijstaande eiken langs wegen in 2020 en de ligging van de 7 deelgebieden die gekoppeld zijn aan de Natura 2000-gebieden (geel aangeduid en genummerd). *In West-Overijssel zijn minder punten aanwezig, omdat in de polders geen eiken langs wegen groeien. Vrijstaande eiken vormen de basis van het onderzoek. Bron: C.M. van Herk (2020)

De trend in de bos- en natuurgebieden is anders. Hier blijft het niveau van ammoniakvervuiling gelijk. Het uitblijven van een verbetering in bos- en natuurgebieden wordt bevestigd door ammoniakmetingen door het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (RIVM).

Door de maatregelen voor de Natura 2000 gebieden zijn de komende jaren verbeteringen te verwachten. Juist in de natte gebieden wordt het effect van stikstof verminderd. Bij vernatting wordt nitraat omgezet door bacteriën in vluchtig N2, wat geen schade geeft.

Ammoniak is grotendeels afkomstig uit de landbouw. Toch heeft 9% van de vervuiling te maken met stikstof die door verkeer en vervoer wordt uitgestoten. Dat verklaart de toename van op stikstof reagerende korstmossen in het stedelijk gebied.

Indicatie voor ammoniakvervuiling (vermesting)

Opwarming

Al begin jaren 90 gaven korstmossen aan dat opwarming speelt. Metingen laten sindsdien zien dat de opwarming onverminderd doorzet (bovenstaande grafiek) en dat het klimaat geleidelijk zachter en vochtiger is geworden.

De indicatiewaarde* van korstmossen voor opwarming voor alle meetpunten in Overijssel

Provinciaal beleid

In de ontwikkelopgave Natura 2000 investeert de provincie in het robuust maken van de natuur en het mogelijk maken van economische ontwikkeling. Enerzijds zet het beleid in op het terugdringen van de uitstoot van stikstof en anderzijds worden maatregelen genomen om natuurwaarden te herstellen, behouden en versterken en voldoende economische ontwikkelingsruimte te creëren. Meer weten over de Ontwikkelopgave Natura 2000? Neem een kijkje op de website van Overijssel.nl.

Bronnen

  • Aptroot, A., C.M. van Herk, L.B. Sparrius, & L. Spier, 2004, Checklist van de Nederlandse korstmossen en korstmosparasieten, Buxbaumiella 69: 17-55, 2004

  • Dijk, H.W.J. van, 1988, Epifytische korstmossen, zure regen en ammoniak, basisrapport, provincie Overijssel, Hoofdgroep ROI, Zwolle, 1988

  • Herk, C.M. van, 2006, Korstmossen in Overijssel: milieuindicatie, natuurwaarde, veranderingen 1989-2005, LON in 1pdracht van provincie Overijssel, Zwolle, 2006

  • Herk, C.M. van, 2020, Monitoring van korstmossen in de provincie Overijssel 1989-2020, LON in opdracht van provincie Overijssel, 2021

  • Knaap, W.O. van der, 1980, Onderzoek naar epifytische lichenen en mossen in de provincie Utrecht in 1979, Provinciale Waterstaat Utrecht, afdeling Ecologie. Rapport no. 29, Utrecht, 1980

  • PBL, 2017, Lerende evaluatie van het Natuurpact. Naar nieuwe verbindingen tussen natuur, beleid en samenleving, Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag, 2017