Veranderende biodiversiteit van Overijssel
Een wisselend beeld van de Overijsselse biodiversiteit wordt getoond in de tweede rapportage van de Staat van de biodiversiteit. Uit de rapportage blijkt bijvoorbeeld dat de otter het de laatste jaren erg goed doet in onze provincie, terwijl weidevogels hulp kunnen gebruiken. Voor deze, en alle andere, plant- en diersoorten zet de provincie zich actief in door zich te richten op het herstel en de verbetering van de leefomstandigheden. Dit wordt gerealiseerd door een scala aan maatregelen, zoals: de ontwikkelopgaaf NNN/Natura 2000, subsidiëring van het natuur- en landschapsbeheer, programma Natuur voor Elkaar en aanleg van faunavoorzieningen.
Publicatiedatum Overijssels Feit : 11 juli 2024
De tweede rapportage van de Staat van de Biodiversiteit is in het najaar van 2023 gepubliceerd. De staat van de biodiversiteit is een vierjaarlijkse rapportage waarin een beeld wordt geschetst over hoe het met de biodiversiteit gaat in Overijssel. In dit Overijssels Feit worden een aantal punten uit de rapportage gegroepeerd en belicht. Het volledige rapport is te vinden via de link onderaan de pagina.
Heide
In het begin van de 19de eeuw bestond Overijssel voor een derde deel uit heidegronden. Door veranderingen in het grondgebruik nam vanaf 1920 het oppervlak heide in Overijssel sterk af tot minder dan 10% van het originele oppervlak. De overgebleven heidegebieden zijn geïsoleerde gebieden, omringd door landbouwpercelen. Binnen deze heidegebieden gaat het niet goed met de biodiversiteit. Een trend gemaakt met behulp van vele soorten voorkomend op de heide toont een daling sinds 2002.
Omdat verspreiding belangrijk is voor soorten is versnippering van de heide schadelijk voor de biodiversiteit. Een voorbeeld van een dergelijke soort is de adder, een soort van de Rode lijst [1] die zich in grote en aaneengesloten gebieden beter kan handhaven dan in kleine geïsoleerde snippertjes natuur. Om natuurlijke uitbreiding mogelijk te maken voor de adder, zijn in 2021 robuuste verbindingszones aangelegd tussen het Ommerveld, Junnerveld en Beerzerveld (zie onderstaande afbeelding). Hierdoor zijn drie geïsoleerde heidegebieden weer met elkaar verbonden.
Een andere iconische soort van de heide en Overijssel is het korhoen waarvan de laatste populatie van Nederland zich op de Sallandse Heuvelrug bevindt. Omdat Nederland vanuit Europese wetgeving verplicht is zich in te spannen om deze soort te behouden, wordt moeite gedaan een duurzame populatie te creëren. Zo wordt er nieuwe heide gecreëerd door bos te kappen en bestaande heide te verrijken met steenmeel om zo de effecten van de verzuring te verzachten.
[1] Een Rode lijst is een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de Minister van Economische Zaken. De Minister bevordert onderzoek en werkzaamheden nodig voor bescherming en beheer. Bron: Rijksoverheid. |
Natte natuur
Nationaal park De Wieden-Weerribben is het grootste laagveengebied van Noordwest-Europa en daarom een belangrijk natuurgebied in Nederland. Het gebied bestaat uit veel vochtige en natte habitattypen als: elzen- en berkenbroekbos, trilvenen, veenmosrietland, moerasheide en kranswierwateren. Deze habitattypen staan onder druk door aanhoudende verdroging, invasieve exoten en stikstof depositie [2]. Zo zijn er tijdens de kartering van 2020-2022 voor het eerst op grote schaal de invasieve exoten waterwaaier (Cabomba coraliniana) en ongelijkbladig vederkruid (Myriophyllum heterophyllum) aangetroffen. Deze soorten verdringen inheemse soorten waardoor de biodiversiteit achteruit gaat. Daarnaast zijn deze soorten vaak lastig te bestrijden.
Verdroging is onder andere goed zichtbaar in de broekbossen waar de natuurwaarde (bepaald aan de hand van vegetatie) daalt sinds 1999. In broekbossen leidt verdroging van de vochtige bodem tot mineralisatie van organisch materiaal wat de voedselrijkdom verhoogt. Dit leidt dan weer tot een toename van plantensoorten als framboos, (bepaalde) braamsoorten of hennegras die goed gedijen in de verrijkte omstandigheden.
De otter laat ons zien dat het niet alleen maar kommer en kwel is. Nadat deze in 1989 officieel uit Nederland was verdwenen, zijn 31 otters geherintroduceerd in de periode van 2002-2009. De herintroductie vond plaats in de Wieden-Weerribben met otters uit Oost-Europa. Sinds de herintroductie is de populatie in Nederland sterk gegroeid van 31 naar ± 500 otters. De otter heeft ook op eigen kracht zijn areaal in Overijssel vergroot naar gebieden zoals de IJssel, het Zwarte Water, De Vecht en de Dinkel.
[2] Een plant, dier, of ander organisme, die door menselijk handelen in Nederland voorkomt worden exoten genoemd. Als deze soorten vervolgens prima gedijen in hun nieuwe omgeving en zich snel vermeerderen worden het invasieve exoten genoemd. Voor de van nature voorkomende biodiversiteit vormt deze laatste groep een (grote) bedreiging. Bron: NVWA. |
Landelijk gebied
Het overgrote deel van Overijssel bestaat uit landelijk gebied dat veel cultuurhistorische landschapselementen bevat, zoals: grafheuvels, oude sloten, houtwallen en hooilanden. Deze landschapselementen zorgen voor een grote biodiversiteit en creëren verbindingen tussen natuurgebieden. Een voorbeeld hiervan zijn sloten. Kleine sloten die extensief beheerd zijn, kunnen een grote biodiversiteit herbergen. Uit een analyse vanaf 2006 blijkt echter dat door het dempen van sloten er in de afgelopen 14 jaar, honderden kilometers sloot verdwenen zijn uit het landelijk gebied. Door het dempen van sloten verdwijnt leefgebied en verbindingszones voor water- en oevergebonden flora en fauna. Eén van deze soorten is de dotterbloem die onder andere langs deze slootranden graag groeit. De afgelopen 12 jaar is deze soort met 17% achteruit gegaan, dus gemiddeld 1,4% per jaar. Deze afname ligt bijna een half procent hoger dan de trend van de totale plantdiversiteit in het landelijk gebied die met 25% achteruit gegaan is in de afgelopen 24 jaar, dus gemiddeld 1%. De snelheid waarmee plantdiversiteit afneemt in het landelijk gebied wordt overigens niet gezien in dezelfde data van natuurgebieden.
Een andere soortgroep die kenmerkend is voor het landelijk gebied is de weidevogel. Sinds 1994 worden weidevogels gemonitord dankzij het weidevogelmeetnet dat tweejaarlijks de stand opneemt. Hieruit blijkt dat eendensoorten, tureluur, graspieper en gele kwikstaart een neutrale tot positieve trend tonen. Scholekster, grutto, kievit en wulp kennen een (sterk) negatieve trend. Van de scholekster is nog maar 25% over van het aantal dat in 1994 gezien is.
Klimaatverandering
Ook klimaatverandering treft de natuur van Overijssel. Verschillende soorten en biotopen reageren anders op de effecten van klimaatverandering. Soorten vanuit een warmer klimaat verplaatsen steeds verder noordelijk en worden ook in Nederland algemeen. Bekende soorten zijn bijvoorbeeld het zuidelijk spitskopje, bandheidelibel, resedawitje en de koninginnenpage. Deze soorten kennen een explosieve toename binnen Overijssel door een warmer wordend klimaat. Helaas profiteert een plaagsoort als de eikenprocessierups ook van het warmer wordende klimaat. De eikenprocessierups is een soort waar veel mensen last van hebben en steeds vaker worden nesten aangetroffen.
Een andere soortgroep die snel reageert en zich snel kan verspreiden zijn korstmossen. Hierdoor dienen ze als goede indicatoren voor een veranderende omgeving en is in 1989 een meetnet opgezet. In dit meetnet wordt op vaste locaties bijgehouden welke korstmossen groeien op de basten van bomen in eikenlanen. Door veel onderzoek kan aan de korstmossen een waarde gekoppeld worden die aantoont in hoeverre een soort indicerend is voor warmte (het temperatuurgetal). Als er in verloop van jaren dus meer warmte minnende korstmossen bijkomen zal het gemiddelde temperatuurgetal stijgen. En dit is nou exact wat uit de data naar voren komt. In de negentiger jaren is een toename van warmte minnende korstmossen, en dus het warmtegetal, waarneembaar (zie onderstaande grafiek). Klimaatverandering werd in de jaren negentig nog niet onderkend.
Algemene soorten nemen af
Een zorgwekkende ontwikkeling is de dalende trend van algemene soorten. Een voorbeeld van een dergelijke soort is de egel. In het wild leven egels voornamelijk in kleinschalig cultuurlandschap, steden en tuinen. De soort komt minder voor in grote open gebieden zoals grootschalige landbouw of heideterreinen. Landelijk gaat het slecht met de soort die sinds de jaren negentig sterk afneemt. Ook in Overijssel lijkt dit het geval te zijn. Door de data van de geregistreerde fauna slachtoffers te analyseren is een afgeleide van de populatiegrootte verkregen. Met een grote populatie worden er meer egels aangereden dan bij een kleine populatie. Met deze data is een afname van 40% waarneembaar sinds 2008 (zie onderstaande grafiek). Landelijk wordt eenzelfde trend waargenomen wat het waarschijnlijker maakt dat de populatie achteruit gaat dan dat wegen veiliger zijn over te steken voor de egels.
Ook dagvlinders en libellen kennen een aantal algemene soorten die in Overijssel achteruitgaat gaan, zoals de kleine vos, bont zandoogje, icarusblauwtje en het lantaarntje. Opvallend is de achteruitgang van het bont zandoogje, want nationaal gaat het goed met deze soort.
Conclusie
Sommige soorten nemen toe, maar met veel soorten gaat het slecht of nog steeds slecht. De provincie zet zich actief in voor alle planten- en diersoorten door zich te richten op het herstel en de verbetering van de leefomstandigheden. Dit wordt gerealiseerd door een scala aan maatregelen, zoals: de ontwikkelopgaaf NNN/Natura 2000, subsidiëring van het natuur- en landschapsbeheer, programma Natuur voor Elkaar en aanleg van faunavoorzieningen. In het Fundament van de Omgevingsvisie is de aanpak in zijn volledigheid terug te lezen.
Benieuwd naar het hele rapport?